Senne vroeg mij een paar dagen geleden: ‘hoe het eigenlijk was gekomen, dat hij Mima zo graag zag?’
Voor wie hem niet alleen kent van deze blog maar ook in ‘t echt, moet ik Mima niet voorstellen. Voor de anderen: Mima heette eerst Simba, bleek officieel zelfs Kumba te heten, is ook al een leeuwke, en is sinds een jaar of zes inderdaad Sennes beste vriend, daar kan geen Victor-Louis of Rune tegen op.
Matisse heeft ondertussen Paco uitgekozen als favoriete knuffel allertijden. Twee Paco’s dan wel. Zo merken wij steeds weer proefondervindelijk dat hij dus nog niet in woord maar wel in daad tot twee kan tellen… Yay.
Senne maakte daarnet trouwens dit stilleven met de Paco’s en de Mima’s recht uit de wasmachine.

Enfin, soit. De vraag van Senne deed mij terugdenken aan een gedichtje dat Juffrouw De Neve (in die tijd waren er nog geen Juffen Barbara of Kristien, maar hadden juffen enkel een achternaam) ons ooit had voorgelezen in het 6de leerjaar. Het kwam uit het geweldige boek ‘ma er zit een dichter in mijn boom’, dat de sint mij toen ook gebracht had. Ik ken er nog tientallen gedichtjes van, knal vanbuiten. Deze moest ik effe gaan opzoeken, en kijk es: schoon toch?
Ze stonden in de winkel op een rij.
Ze konden nog niet zien en nog niet horen.
Want speelgoedbeesten worden pas geboren
als er een kindje zegt: “Jij wordt van mij!”
Er was een och-zo-klein konijntje bij,
helemaal grijs, met donkergrijze oren
(één stond rechtop, één leunde wat naar voren)
en ‘t hield zijn kopje eventjes opzij.
En toen kwam Katelijntje.
Ze keek langs héél de rij
en zei toen: “Dag konijntje,
kom maar, je wordt van mij.”
Ze nam het zachtjes in haar arm,
ze streek het langs zijn oren,
en toen werd het konijntje warm.
En toen was het geboren!
Harriet Laurey
Wablief?