In de rubriek ‘kindererfgoed’:
Zing nu ja ja joepie joepie jee
Olé
Zing nu ja ja joepie joepie jee
Olé
Zing nu ja ja joepie
Ja ja joepie
Jaja joepie joepie jee
Olé
Pistolét
Patatten met puree
Met mijn hoofd in ‘t WC
EIHHHHHHHHHHHHH!
In de rubriek ‘kindererfgoed’:
Zing nu ja ja joepie joepie jee
Olé
Zing nu ja ja joepie joepie jee
Olé
Zing nu ja ja joepie
Ja ja joepie
Jaja joepie joepie jee
Olé
Pistolét
Patatten met puree
Met mijn hoofd in ‘t WC
EIHHHHHHHHHHHHH!
‘Jingle bells, jingle bells, jingle all the way
en als ik van de trap val
dan val ik in ‘t wc’
‘Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan
Hij duwt op een knopje en vliegt naar de maan
De maan was te glad
Toen viel hij in bad
Het bad was te heet
Toen liet hij een scheet
De scheet was te warm
Toen ging het alarm
Het alarm was te luid
En ‘t liedje was uit.’
Wij zongen vroeger ‘Hallo Meneer De Uil, uw onderbroek is vuil.’ Bijna dertig jaar later komt Senne met datzelfde liedje naar huis. Maar de échte Meneer de Uil, daar kent hij het bestaan niet eens van.
Hoe onstaan zo liedjes? En hoe overleven ze zovele jaren? En hoe verspreiden ze zich doorheen Vlaanderen? Intrigerend vind ik dat.
En zullen die nieuwe ook de tand des tijds overleven, en zullen Senne’s kids daar ook mee naar huis komen, binnen nog es een jaar of dertig?
Ik start een nieuw rubriekske: het nationaal kindererfgoed. Geen officieële liedjes, maar de kindervarianten ervan. Met voorlopig één constante: onderbroekenhumor.
Wablief?